Pittige dialoog tijdens Architect van je eigen werk 2026  

Moet de vrijblijvendheid van na- en bijscholing om de titel te mogen blijven voeren eraf? Die vraag zorgde op 23 september voor een levendige en af en toe verhitte discussie tijdens Architect van je eigen werk 2026 in de Mauritskazerne in Ede. Tijdens hét event voor iedereen in de architectenbranche sprak Olympisch bokser Nouchka Fontijn over veerkracht en omgaan met druk. Thijs Jansen, tot voor kort directeur van Stichting Beroepseer, zette de zaal aan het denken over professionele verantwoordelijkheid. In de workshops kwamen actuele onderwerpen uit de dagelijkse beroepspraktijk aan bod.  

Vrijheid vraagt verantwoordelijkheid  
Wie in Nederland de titel architect wil voeren, moet ingeschreven staan in het Architectenregister. De beroepsuitoefening zelf is niet beschermd. Ook de verplichting om jaarlijks minimaal 16 uur aan na- en bijscholing te besteden, kent geen controle of sanctie.  Inleider Thijs Jansen plaatste daar een bredere vraag tegenover. Wat mag de samenleving verwachten van iemand die een professionele titel voert? Zo’n titel veronderstelt deskundigheid en actuele vakkennis. Voor architecten speelt bovendien mee dat hun werk verder reikt dan de relatie met een opdrachtgever. Een gebouw heeft invloed op zijn omgeving en daarmee op anderen.  

De relatief beperkte regulering van het beroep geeft architecten veel vrijheid. Volgens Jansen vraagt die vrijheid juist om professionele verantwoordelijkheid. Daarbij hoeft niet meteen naar nieuwe wetgeving te worden gekeken. De beroepsgroep kan ook zelf duidelijker vastleggen wat zij onder goed professioneel handelen verstaat en hoe architecten hun vakkennis op peil houden. Jansen wees ook naar het buitenland, waar onder meer België, Frankrijk, Spanje en delen van de Verenigde Staten strengere normen kennen voor de beroepsuitoefening. Niet om die systemen één op één over te nemen, maar wel om te onderzoeken wat Nederland ervan kan leren.  

Professionele normen kunnen bovendien de architect zelf beschermen. Gedeelde afspraken bieden houvast wanneer een architect onder druk wordt gezet om keuzes te maken waar hij of zij vanuit het vak niet achter staat. De vraag is alleen wie zulke normen zou moeten bepalen. Het Architectenregister en de verschillende beroeps- en brancheorganisaties hebben ieder hun eigen positie en verantwoordelijkheid. Eén organisatie die namens de hele beroepsgroep spreekt, is er niet.  

Zestien uur afvinken?  
Onder leiding van gespreksleider Matthijs Mulder, bekend met beroepsbescherming vanuit de advocatuur, werd de discussie met de zaal gevoerd. Een eerste Mentimeter-peiling liet zien dat een meerderheid de huidige regeling rond na- en bijscholing te vrijblijvend vindt. Tegelijkertijd riep het idee van een verplicht puntensysteem vragen en weerstand op. Vanuit de zaal werd benadrukt dat architecten tijdens hun werk voortdurend leren en zich wel moeten blijven ontwikkelen omdat het vak voortdurend verandert. Zestien uur registreren zegt volgens critici nog weinig over de kwaliteit van die ontwikkeling. Ook de vraag wie bepaalt wat wel en niet als relevante bijscholing geldt, kwam meerdere keren terug.  

Merel Pit, hoofdredacteur van de Architect, wees op de lange opleiding die architecten al hebben doorlopen voordat zij de titel mogen voeren. Daar komt voor veel architecten de beroepservaringsperiode bij. Zij stelde de vraag wat een extra verplicht systeem daaraan toevoegt, zeker zolang het beroep zelf niet beschermd is. Daarmee verschoof de discussie van bijscholing naar een fundamentelere kwestie: de bescherming van het architectenberoep. Waarom is wel vastgelegd wie zich architect mag noemen, maar niet wie architectenwerkzaamheden mag uitvoeren?  

Eerst kwaliteit borgen?  
De vergelijking met de advocatuur kwam verschillende keren terug. Advocaten kennen naast titelbescherming ook beroepsbescherming. Permanente educatie is er verplicht en inmiddels een geaccepteerd onderdeel van het vak. Dat was bij de invoering niet vanzelfsprekend. Ook daar waren bezwaren tegen de kosten en werd betwijfeld of verplichte scholing nodig was voor professionals die uit zichzelf al voortdurend met hun vak bezig zijn.  

De vergelijking gaat volgens deelnemers niet volledig op. De positie van advocaten is wettelijk geregeld en kent onafhankelijk toezicht. Voor architecten bestaat zo’n structuur niet. Toch bracht het voorbeeld een andere gedachte op gang. Het aantoonbaar bewaken van kwaliteit kan juist helpen in de discussie over beroepsbescherming. In plaats van eerst bescherming van de wetgever te vragen, zou de beroepsgroep kunnen beginnen met duidelijk maken welke professionele standaard bij het vak hoort.  

BNA-directeur Anne Schroën pleitte in dat verband voor een sterkere organisatie van architecten en een assertievere houding rondom beroepsbescherming. Ook andere deelnemers vroegen zich af of architecten zich niet nadrukkelijker als beroepsgroep moeten verenigen, los van hun positie als werknemer of werkgever. Als de branche serieus werk wil maken van kwaliteit en beroepsbescherming, moet er immers ook een partij zijn die namens de beroepsgroep kan spreken.  

Wie pakt het op?  
Die vraag kwam scherp naar voren toen vanuit de zaal naar de rol van SFA werd gevraagd. Waarom pakt SFA dit niet op?  SFA-directeur Marianne Berenschot legde uit dat de stichting geen beroepsvereniging of belangenbehartiger is. SFA werkt weliswaar voor de hele branche, maar heeft vanuit haar formele taak geen mandaat om namens architecten te pleiten voor beroepsbescherming. Wel kan de stichting partijen bij elkaar brengen en ruimte bieden voor de discussie. Het agenderen van de dialoog is daarvoor een eerste stap. 

Ook het Architectenregister is gebonden aan de kaders die de wet oplegt. Daarmee werd een belangrijk knelpunt zichtbaar. Er is op dit moment geen vanzelfsprekende plek waar de architectenbranche gezamenlijk afspraken maakt over beroepseer en professionele normen. De discussie ging daardoor uiteindelijk nog maar beperkt over die 16 uur bijscholing. De onderliggende vragen bleken groter. Welke verantwoordelijkheid hoort bij het voeren van de titel? En hoe organiseer je dat als beroepsgroep?  

Vallen en terugslaan  
Professionele verantwoordelijkheid speelde ook een rol in het verhaal van Olympisch bokser Nouchka Fontijn. In haar interactieve lezing Vallen en terugslaan trok ze parallellen tussen de boksring en het werkende leven van een architect.  

Goed presteren begint volgens Fontijn bij goed voor jezelf zorgen. In de boksring is er een scheidsrechter die aftelt als iemand neergaat. Op het werk ontbreekt zo’n duidelijk waarschuwingssignaal. Zelf blijven opletten hoe het met je gaat en bij elkaar inchecken is daarom belangrijk. Fontijn sprak ook over het belang van een duidelijke missie en een plan om daar te komen. Vertrouwen vormt daarbij de basis voor samenwerking. Dat vraagt ook om openstaan voor feedback die je misschien liever niet krijgt.  

De zaal ondervond tijdens enkele boksoefeningen zelf wat druk met focus doet. Fontijn koppelde dat aan de dagelijkse praktijk. Tegenslagen zijn onvermijdelijk, ook wanneer een opdracht niet doorgaat. Veerkracht zit volgens haar niet in het voorkomen daarvan, maar in de manier waarop je ermee omgaat. Soms betekent dat vasthouden aan je doel, soms juist je oorspronkelijke plan durven loslaten.  

Verder praten  
In vier workshops en lezingen werd verder ingezoomd op de beroepspraktijk. Onderwerpen waren de cao, de nieuwe pensioenregeling, zachte waarden in de architectuur en intervisie in projectteams.   

Tijdens het diner en de afsluitende borrel werd het gesprek uit de zaal voortgezet. Een pasklaar antwoord op de vraag hoe de architectenbranche haar professionele kwaliteit moet organiseren, leverde de middag niet op. Wel maakte de discussie nog eens duidelijk dat het onderwerp breder is dan het registreren van opleidingsuren. De vraag is vooral hoeveel verantwoordelijkheid de beroepsgroep zelf wil nemen voor de kwaliteit en positie van het vak en wat daarvoor nodig is.  

Fotoimpressie

Plenair programma

Workshops en lezingen